Posts tonen met het label schrijfster. Alle posts tonen
Posts tonen met het label schrijfster. Alle posts tonen

dinsdag 21 januari 2014

De sleutel

De zoemer gaat opnieuw. Er wordt langer aangebeld deze keer. Buiten klinkt rumoer, er zijn duidelijk veel mensen op de been. Het zachte geknetter lijkt haast rustgevend naast het lawaai van de straat. Pieters hand gaat langzaam naar voren, richting de sloten op zijn deur. Hij ziet hoe zijn hand trilt. Hij beleeft het alsof het de hand van een vreemde is. Hij twijfelt met zijn hand op het warme slot aan zijn deur. De zoemer klinkt weer, hij schrikt er van en doet instinctief een stap achteruit. Hij kan het niet.
         Langzaam loopt hij richting zijn raam. De gordijnen zijn zoals altijd gesloten. Hij loopt naar zijn zorgvuldig gemaakte kijkgaatje in de gordijnen. Beneden ziet hij zijn buurvrouw. Ze loopt onrustig heen en weer tussen de mensen. Het verbaast hem niets, zijn bovenbuurvrouw is altijd onrustig. Hij irriteert zich al jaren aan haar gemaakt blije gedrag als er weer eens visite bij haar komt. Uitgelaten vrolijk doet ze de deur dan open en bijna schreeuwend doet ze direct haar verhaal. Dat ze tussen de bezoeken door huilend in haar eenzame appartement zit weet niemand, vermoedt Pieter. Nu loopt ze van brandweerman naar brandweerman, ze praat druk en gebaart alsof haar leven er van af hangt.
         Er staat ook een ambulance. Op de brancard zit zijn onderbuurvrouw. Een lieve dame, oud en versleten maar altijd vriendelijk. Ze is erg op zichzelf en krijgt niet vaak bezoek. Hij vindt haar sympathiek en is blij om te zien dat een verpleger zich om haar bekommerd. Zijn buurman van de bovenste etage ziet hij niet. Die zal wel weer op stap zijn.
         Pieter draait zich om en sjokt naar zijn stoel vlakbij het raam. Met een plof laat hij zich in zijn stoel vallen. Zijn keel kriebelt en hij probeert de kriebel weg te kuchen. Hij kijkt rond in zijn schemerige appartement. Het is een vreemd moment. Hij weet dat hij weg moet, dat het voor zijn eigen bestwil is maar hij kan zich er maar niet toe zetten. Zijn handen glijden over de grove ribstof van zijn stoel. De stof is verschoten maar hij zit nog steeds prima. De muren van zijn appartement zijn leeg, hij heeft nooit de moeite genomen iets op te hangen. Hij zou bovendien niet weten wat hij op had moeten hangen. Hij heeft niets waar hij specifiek van houdt. In zijn open keuken ziet hij de vaat op het aanrecht. Hij wast pas af als al zijn servies uit de kastjes op is. Meestal maar eens per week. Zijn ogen glijden verder naar de slaapkamerdeur. Er komt een vreemde oranje gloed uit zijn kamer, het zal het licht van de brand zijn. Een nare gedachte en Pieter wil snel zijn zinnen verzetten en klikt de televisie aan. Er gebeurt niets en hij realiseert zich dat de stroom een half uurtje geleden uitviel. Hij zucht. Hij vraagt zich af hoe het zover heeft kunnen komen. Gevangen in je eigen huis.
         Eigenlijk weet hij wel wanneer het begonnen is. Al op de basisschool begon het pesten. Eerst redelijk onschuldig met kinderen die zand naar hem gooiden tijdens de pauzes, later venijniger toen ze hem begonnen te slaan. Verweren kon hij zich niet, tot grote woede van zijn vader. Wat was die man kwaad geweest als Pieter weer eens met een blauw oog thuis kwam. Hij probeerde zijn zoon te trainen door met hem te vechten, met als gevolg dat Pieter alleen maar meer klappen kreeg. Uiteindelijk gaf zijn vader het op en vertrok. Pieter zal die dag nooit meer vergeten. Het was zijn tiende verjaardag en hij kwam vrolijk thuis uit school. De kinderen in de klas waren zowaar aardig voor hem geweest die dag en dat gaf hem hoop. Zijn moeder deed de deur open met dikke, rode ogen. Ze vertelde hem met trillende stem dat zijn vader weg was gegaan en niet meer thuis zou komen. Hij had zijn kleine armen om haar nek geslagen en haar getroost. Hij had zijn vader nooit meer gezien en dat vond hij prima. Ze waren altijd samen geweest en steunden elkaar in stilte.
         Zijn middelbare schooltijd verliep niet heel veel anders dan op de basisschool. Gepest werd hij nog steeds maar hij was allang blij dat hij niet meer geslagen werd. Tegen woorden had hij zich altijd wel kunnen verweren. Natuurlijk deed het hem pijn toen de hele klas een uitnodiging voor een feest kreeg en hij als enige werd overgeslagen. Hij had ook echt in zijn bed gehuild toen hij zijn zestiende verjaardag wilde vieren en de hele klas had uitgenodigd en er niemand op het feest kwam. Het had zijn hart gebroken toen hij zijn moeder de avond van het geplande feest zag in het kleine flatje, bij de tafel vol zoutjes en flessen frisdrank. Hij wist dat ze er tijden voor had gespaard en alles was voor niets geweest.
            Het kleine flatje waar hij met zijn moeder was gaan wonen na zijn tiende verjaardag, was veilig voor hem. Zijn moeder begreep hem en zorgde goed voor hem. Pieter glimlacht bij de gedachte aan zijn moeder, de liefste moeder van de wereld, dat heeft hij altijd gezegd. De laatste jaren heeft hij haar niet meer gezien, hij kon nou eenmaal niet meer weg. Toen hij pas in het appartement woonde, kwam ze geregeld langs maar tegenwoordig lukt het haar niet meer, te ziek. Ze ligt dag in, dag uit in haar bed in het verzorgingstehuis. Ze bellen wel vaak en ondanks het feit dat ze het nooit hebben uitgesproken, weet Pieter zeker dat ze begrijpt waarom hij niet meer langs kan komen en hoe erg hij dat vindt.
         Terwijl Pieter in de oranje gloed van zijn slaapkamer kijkt denkt hij terug aan de tijd dat hij hier kwam wonen. Hij was net afgestudeerd en kon bij het IT bedrijf blijven werken waar hij tijdens zijn studie een bijbaan had gehad. Vanuit huis programmeerde hij voor hen. Het kantoor had hij een keer bezocht toen hij er pas werkte, inmiddels vragen zijn collega’s hem niet meer om langs te komen, iedereen weet dat hij alleen vanuit huis werkt. Toen hij hier net woonde ging hij nog wel naar buiten. De supermarkt zit schuin tegenover de appartementen en hij haalde daar eens per week alle boodschappen. In de loop van de tijd had het internet een vlucht genomen en langzaam merkte Pieter dat hij alles via internet kon bestellen. De pakjes werden voor zijn voordeur gezet en zodra de bezorger weg was, deed hij snel zijn deur open om de spullen te pakken.
         Het is allemaal zo geleidelijk gegaan. Steeds kreeg hij de kans om een stapje terug te doen. Steeds iets minder contact met de mensen om hem heen. Steeds een stapje verder uit de maatschappij. Met elke kleine stap die hij in dit proces zette, werden mensen ook een beetje enger. De wereld leek langzaam steeds een beetje gevaarlijker en bedreigender.
            Ergens had hij verwacht tijdens zijn studietijd vrienden te kunnen maken, maar niets was minder waar. Zijn studiegenoten waren vooral geïnteresseerd in het campusleven, de alcohol die daarbij hoorde en meisjes. Hun studies kwamen op de laatste plaats, Pieter vond het vreselijk. De corveediensten in de campusflat werden steevast overgeslagen en als Pieter zijn huisgenoten daar op aansprak, werd hij uitgelachen. Hij rondde zijn studie daarom maar zo snel mogelijk af en vertrok zonder een vriend gevonden te hebben.
         Hij hoest. De kriebel in zijn keel wordt langzaam hardnekkiger. Hij krijgt het warm en trekt zijn trui uit. Hij voelt zich terneergeslagen. Precies de reden waarom hij probeert nooit na te denken over vroeger. Toch vraagt hij zich nu af of hij het anders had kunnen doen. Of hij het anders had moeten doen. Was er misschien een andere weg voor hem mogelijk geweest als hij beter had gekeken? Hij heeft wel eens een documentaire op televisie gezien waarin men sprak over deuren in je leven. Dat als je er open voor staat, er altijd nieuwe deuren met nieuwe mogelijkheden in je leven ontstaan. Deuren die bijna altijd open blijken te zijn als je maar het lef hebt om aan de klink te voelen. Hij had er destijds niet zo bij stil gestaan maar vraagt zich nu ineens af of zijn weg echt de enige weg is geweest. Zijn hele leven heeft hij niet getwijfeld aan zijn beeld van de wereld. Keer op keer werd zijn beeld ook bevestigd. Mensen lieten hem steevast vallen, keken hem met de nek aan of praatten achter zijn rug over hem. Nu twijfelt hij hier ineens aan, denkt hij na over de rol die hij hier wellicht zelf in heeft gespeeld. Had hij kansen gemist?
         Zijn gedachten worden onderbroken door gestommel op de trap. Er bonkt weer iemand op zijn deur, hard en lang. Hij wordt geroepen. Het vult hem met angst, hij is doodsbang dat ze de deur open zullen breken, zijn appartement binnen zullen vallen en hem uit zijn veilige omgeving zullen halen. Pieter pakt zijn telefoon, kijkt er even met twijfel naar en belt dan zijn moeder, hij voelt ineens intens de behoefte om even haar stem te horen, te horen dat alles goed komt.

         “Hallo lieverd, wat fijn dat je belt. Hoe gaat het met je?” Haar stem klinkt liefdevol en warm zoals altijd en het vult hem met een prettig gevoel. Als hij haar wil antwoorden moet hij hoesten. “Wat klink je verkouden Pietertje, je bent nooit verkouden, gaat het wel goed met je?” Haar stem klinkt nog bezorgder dan anders en dat raakt hem.
         “Nee mam, ik ben niet echt ziek, er eh… ik heb net iets laten aanbranden in de keuken, ik hoestte van de rook.” Hij liegt nooit tegen zijn moeder, hij laat wel eens wat weg in zijn verhaal of hij laat haar soms iets denken wat niet helemaal waar is, maar zo glashard een leugen vertellen, nee. Het geeft hem een onprettig gevoel en hij vraagt zich af of ze zal horen dat hij liegt. “Ik wilde gewoon even je stem horen, mam. Zomaar.” Zijn moeder valt even stil. Ze moet duidelijk even nadenken over deze mededeling. Hoewel de twee zielsveel van elkaar houden spreken ze dergelijke dingen nooit naar elkaar uit.
         “Gaat het wel goed met je, schat?” Haar stem trilt als ze het hem vraagt. Het doet hem pijn om haar zo bezorgd te horen. “Zal ik even naar je toekomen?” Hij realiseert zich ineens hoe erg het is. Zijn doodzieke moeder wil naar hem toekomen omdat ze bezorgd over hem is, terwijl hij haar al jaren alleen laat omdat hij niet naar buiten wil. Hij voelt een traan over zijn wang lopen. Hij kan zich niet herinneren wanneer hij voor het laatst heeft gehuild.
        “Je hoeft niet te komen mam. Zou je het fijn vinden als ik naar jou toekom?” Zijn stem trilt ook een beetje, alleen al het uitspreken van de actie bezorgt hem rillingen. Toch weet hij dat hij het moet doen. Hij hoort zijn moeder zacht huilen.
         “Wat is er jongen, wat is er toch?” De tranen van zijn moeder breken hem.
         “Het gaat niet goed mam. Er is brand hier. In het appartement boven. De brandweer is er maar volgens mij krijgen ze het vuur niet onder controle.” Hij hoort zijn moeder schrikken en even is hij bang dat het haar dood zal worden, dat de schrik haar te veel zal zijn.
         “Ik hoor helemaal geen brandweer, waar ben je dan? Sta je om de hoek?” Pieter valt stil. “Waar ben je Pieter?” Ze vraagt het hard, alsof ze het antwoord al weet. Hij ziet haar voor zich, haar ogen fel net als haar stem. Hij twijfelt maar besluit te kijken of er een andere weg is voor hem.
         “Ik ben nog binnen.” Hij zegt het zacht, bijna onhoorbaar maar zijn moeder heeft ieder woord van die zin gehoord en wordt woest.
         “Dan ga jij nu als de donder dat huis uit Pieter!” Ze schreeuwt de woorden haast door de telefoon. Ze heeft nog nooit tegen hem geschreeuwd en Pieter schrikt er zo van dat hij direct uit zijn stoel opstaat. Bij de deur overvalt de twijfel hem weer.
         “Ik weet niet of ik het kan.” Zegt hij met een klein stemmetje. Even is het weer alsof daar dat kleine jongetje van de basisschool staat. Huilend bij zijn moeder omdat hij gepest is. Ook nu is ze er voor hem en dat helpt hem.
         “Je doet je arm omhoog en haalt het bovenste slot eraf.” Ze zegt het met zoveel stelligheid dat hij niet meer kan twijfelen. Hij volgt haar instructies gedwee. “Nu pak je het tweede slot en haalt dat er ook af.” Weer laat ze hem geen keuze en hij volgt haar instructies. “Goed, nu het laatste slot. Pak de sleutel en draai hem om. Dan kun je de klink omlaag doen en kun je weg.” Trillend gaat zijn hand naar de sleutel. De sleutel is heet en geschrokken trekt hij zijn hand terug. “Is de deur open?” Vraagt zijn moeder streng.
         “De sleutel is heet.” Zegt hij haar zachtjes.
         “Dat betekent dat het vuur dichtbij is, je moet opschieten Pieter.” Haar toon lijkt dwingender dan ooit. Hij pakt de sleutel nogmaals vast, nu met de punt van zijn T-shirt tegen de hitte. De sleutel draait en langzaam doet hij de klink omlaag. Een bel van hitte en rook lijkt in zijn gezicht kapot te spatten en hij schrikt. Hij moet hoesten, zo hard dat het hem zijn adem ontneemt. Hij valt voorover op zijn knieën. De telefoon valt uit zijn handen maar hij hoort zijn moeder roepen dat hij weg moet gaan, dat hij moet rennen. Hij zit op zijn handen en knieën, half in zijn appartement, half in de gang. Hij kijkt naar rechts en ziet de trap naar boven in brand staan. Links is het portiek met de open, stenen trap naar beneden, de frisse lucht. Hij kijkt weer naar rechts en beseft ineens dat hij ook naar rechts kan gaan. Hij heeft een keuze. Eindelijk ziet hij zijn opties voor zich; rechts of links. Het lijkt ineens zo duidelijk. Hij weet wat zijn moeder wil. Haar keuze is duidelijk en hij drukt op het rode knopje van zijn telefoon. Hij hoort nu niets meer dan het oorverdovende geknetter van het vuur. Hij kijkt weer naar rechts, de vlammen lijken hem te roepen, voorzichtig schuift hij zijn ene been iets naar voren. Zijn andere been volgt. Hij voelt hoe zijn benen over de drempel schuiven en hoe hij ineens buiten is. Vijf jaar lang is hij niet op deze plek geweest, meer dan voorover gebogen om een pakje te pakken is hij niet gekomen. Zijn voeten hebben nooit de vloer van de hal geraakt. Hij voelt een intense vrijheid zijn lichaam vullen. Het voelt als een overwinning. Hij haalt diep adem en een nieuwe hoestbui overvalt hem. Zijn hoofd wordt er licht van. De hitte van rechts is overweldigend, het geluid van links evenzo. Dan weet hij wat hij moet doen en neemt de stap.

donderdag 7 november 2013

Stress, paniek, hysterie en toch een doorbraak?

Eigenlijk heb ik het er al een hele tijd niet meer over gehad. De hele reden, het bestaansrecht van deze blog; mijn burnout. Eerlijk gezegd dacht ik het ergste ook wel achter de rug te hebben. Alsof ik ‘beter’ was. Helaas. Afgelopen week stond ik hyperventilerend in de winkelstraat, me haastend om mijn ellenlange to-do-lijstje af te krijgen. Nu zullen enkelen van jullie wellicht verbaasd zijn aangezien mijn dochter sinds deze week naar school gaat. Hele dagen heb ik nu vrij, op wat schoonmaakwerk, wat gekook, geklus en boodschappen na dan. Zeeën van tijd zou ik nu moeten hebben, zo dacht ik zelf ook. Daar lag mijn probleem.

Maandenlang ben ik al een lijst aan het aanleggen van klussen die ik kan doen als ik die zeeën van tijd heb. Van het opruimen van de speelgoedchaos tot het uitmesten van de uitpuilende schuur, ze staan er allemaal op. En alle punten konden niet minder dan perfect gedaan worden. Omdat zo’n lijst alleen niet voldoende is (natuurlijk niet!), besloot ik ook maar even mee te doen aan de NaNoWriMo, een uitdaging voor jezelf om een boek in een maand te schrijven. Dat ik dat kan, heb ik mezelf onlangs al bewezen, maar dat is niet genoeg (natuurlijk niet!). Afgelopen week kwam ik dus thuis van mijn hysterische bezoekje aan de winkelstraat en keek door mijn tranen heen vertwijfeld naar mijn eigen lijst van dingen die ik moest doen. Absoluut MOEST doen. Mijn hart ging als een bezetene tekeer en ik knapte. Het was onmogelijk en de stress was ondraaglijk.

Een flinke terugval, zo voelde het. Tot ik me realiseerde dat het wel anders was deze keer. Want in plaats van dat ik, verlamd van angst bleef staren naar mijn lijst ging ik nu langzaam de punten langs. Veel van het lijstje moest echt en ook op dat moment, een kwestie van afspraken, planning en noodzaak. Er bleef een punt staan, mijn boek. In eerste instantie wilde ik dit punt niet schrappen, in de volle overtuiging dat ik mezelf dan tekort deed en ik me juist stellig had voorgenomen mezelf ook tijd te gunnen. En het schrijven, dat doe ik alleen voor mezelf. Plotseling ging er een lichtje branden. Ik doe dit voor mezelf. En wat doe ik mezelf aan door mezelf zo’n belachelijke deadline te stellen, terwijl ik nota bene wéét en bewezen heb, dat ik het kan. Als ik niet zo hysterisch was geweest, had ik er om kunnen lachen.

Het moment viel overigens ongeveer samen met een ander, onuitgesproken punt van mijn lijstje; contact opnemen met een oude vriendin. Maandenlang liet ik niets van me horen terwijl ik een afspraak met haar zou maken. Zij wist niet wat er in mijn hoofd gebeurde, niemand wist dat en afgelopen week besloot ik haar het gewoon te vertellen. Ik bekende haar eerlijk dat ik niet had durven afspreken. Het is een pijnlijke constatering want ik wist me er geen raad mee. Ik kreeg het in mijn hoofd niet voor elkaar om de afspraak te bedenken, wanneer, hoe laat, wat, waar. Als ik me vervolgens over die praktische problemen wist te zetten, werd ik doodsbang voor de afspraak zelf. Wat als ik niets wist om te zeggen. Als ik de afgesproken plek niet zou kunnen vinden. En zo nog honderd problemen. Absurd, dat realiseer ik me absoluut en daarmee werd het een falen.

En dan is de cirkel ineens weer prachtig rond. Ik ben altijd bang om te falen. En als ik wel slaag, faal ik voor mezelf alsnog omdat het altijd beter had gekund. Het meest trieste vind ik nog wel dat ik het mezelf aan doe. Er is niemand meer in mijn leven die me veroordeeld, me afbrand of uitlacht maar de echo van ooit is verdomde sterk en alleen hoorbaar in míjn hoofd. De komende tijd staat er op mijn lijstje daarom ook rust; tijd voor mezelf. Al was het maar om mijn hoofd eens grondig schoon te maken en zo hopelijk die laatste resten van die irritante echo weg te halen. Pas dan zal ik een beetje rust vinden denk ik.

maandag 30 september 2013

Bloginterview door @marysjabbens

Af en toe is het best lastig om te schrijven. Je zit thuis achter je laptop te tikken en publiceert af en toe iets. Vaak gevolgd door een dag licht-hysterisch de statistieken checken. Want gelezen worden is toch een soort bevestiging dat je op de goede weg bent. Soms win je een wedstrijd en voel je je een dag of wat zeker over het pad dat je bent ingeslagen. Een compliment of een rake reactie heeft het zelfde effect. Laatst kreeg ik echter een nieuwe high; of ik mee wilde werken aan een bloginterview. Een –voor mij- totaal onbekende vroeg mij om een interview! Blijkbaar komt mijn blog dus bij steeds meer mensen terecht en vinden ook onbekenden het de moeite waard om er iets mee te doen. Dit bloginterview nam Mary Sjabbens (www.marysjabbens.nl) via de mail bij me af en is door haar bedacht om lezers meer te laten weten over de blogger achter het blog. Leuk om aan mee te werken en heel bijzonder om in de voetsporen te treden van zoveel bloggers voor mij! 

Wil jij je even voorstellen?
Ik ben Lisette van Elk, 35 jaar en moeder van een dochter van (bijna) 4. 

Wat is de reden dat je bent gaan bloggen?
Ik ben gaan bloggen toen ik met een burnout thuis kwam te zitten. Ik voelde de behoefte om mijn verhaal van me af te schrijven. Eerst deed ik dat een beetje undercover, toen ik merkte dat mensen mijn blogs leuk vonden, durfde ik mijn blog ook te gaan promoten. 

Hoe lang blog jij al?
Ik blog inmiddels ruim twee jaar. 

Hoe vaak blog jij?
Ik heb laatst berekend dat ik 2 a 3 blogs per maand schrijf. 

Heb jij vaste tijden waarop jij je blogs schrijft?
Nog niet, op het moment is mijn dochter bij mij thuis en pak ik mijn momenten wanneer ik maar kan. Als ze straks op school zit heb ik vaste tijdstippen voor het schrijven ingericht. Dan zal ik waarschijnlijk wat vaker en op wat geregeldere tijden gaan bloggen. 

Heb jij altijd een thema of idee waarover je wilt bloggen of komt dat pas als je er voor gaat zitten?
Beiden eigenlijk, soms weet ik van te voren waar ik over wil bloggen, dan broeit een blog al een tijdje in mijn hoofd. Soms ga ik zitten en komt het stukje vanzelf. 

Blog jij over alles?
Wel zo’n beetje ja. Mijn blog gaat over mijn leven dus tja, daar past bijna alles wel in. 

Hoe zou jij jouw blogs omschrijven?
Moeilijke vraag en ik ben eigenlijk ook wel benieuwd hoe anderen deze vraag over mijn blog zouden beantwoorden. Ik denk dat: een blog over mijn leven, geschreven uit het hart en vaak met humor, wel een goede beschrijving is. 

In hoeverre en waarom houd jij rekening met jouw lezers, of doe je dat helemaal niet?
Ik schrijf over mijn leven, op mijn manier. Maar dat heeft ook wel voor problemen gezorgd in het verleden en tegenwoordig schrijf ik daarom niet meer over alles en iedereen. 

Zijn er onderwerpen waarover je wilt schrijven maar het nog niet durft/wil/kan?
Ja dus, zie de vorige vraag J 

Hoe belangrijk zijn de statistieken voor jou?
Belangrijk in de zin dat ze voor mij een bevestiging zijn dat mensen mijn schrijfsels nog leuk vinden en dat is een stimulans om door te gaan. 

Op wat voor manier en waar, maak je kenbaar dat je een nieuw blog hebt geschreven?
Via Facebook (www.facebook.com/lisetteschrijft), Twitter en Linkedin. 

Ben je tevreden over jouw site?
Mijn blog is wel ok. Mijn eigen site (www.vanelk.net) zou ik graag nog wel onder handen nemen.  

Wat vind je van de reacties van lezers op jouw blog?
Ik vind het heel leuk als mensen reageren op mijn blogs! Van mij mogen er alleen maar meer reacties komen.

donderdag 25 juli 2013

Tussenstand

Sinds twee jaar schrijf ik. Ik deel mijn lief en leed met iedereen die het maar lezen wil. Blogs, korte verhalen, langere verhalen en columns. Het kortere werk, meestal in opdracht van een schrijfwedstrijd, gaat me beduidend beter af dan het schrijven aan mijn eigen boek. Nu ik eindelijk tevreden ben over de opzet in mijn hoofd, heb ik onlangs ontdekt dat wat ik had geschreven, niet goed is en herschreven moet worden. Opnieuw beginnen dus en daar zie ik tegenop. Een mooi moment om eens te bezinnen en te kijken of het eigenlijk wel wat heeft opgeleverd, dat schrijven.

In de afgelopen twee jaar heb ik 60 blogs geschreven. Dat zijn zo’n twee a drie blogs per maand en daar ben ik best tevreden over. Ook lieten lezers 15 keer een reactie achter en daar ben ik echt trots op. Voor diverse schrijfwedstrijden schreef ik 16 korte verhalen, variërend van 500 tot 5000 woorden. Er werden natuurlijk ook heel wat halve verhalen geschreven die mijn eigen eindstreep al niet haalden, die tel ik niet mee. Drie van mijn verhalen hebben gewonnen en zijn (of worden) gepubliceerd. In echte, tastbare papieren boeken. Daar ben ik ook heel trots op. Tot slot waren er ook nog zeven columns, waarvan er drie daadwerkelijk gepubliceerd zijn. Een goede score vind ik zelf.

De columns zijn verreweg de kortste varianten en toch begon het daar allemaal mee. Toe ik een van mijn eerste columns schreef over Sophie was dat voor mij een keerpunt. Het diepst van mijn ziel gaf ik bloot en voor het eerst durfde ik uit te spreken wat ik tot dat moment diep had weg gestopt. Alles in mij zei me toen al dat als ik kon schrijven, dit het bewijs zou zijn. Het stukje kwam moeiteloos op papier en verwoordde precies hoe ik me voelde. Ik wist ook dat als ze dit niet zouden plaatsen, ik mijn gevoel niet kon laten zien zoals ik dat wilde. Het was een spannende tijd. Toen ik ineens een mail in mijn inbox vond of ik dit wel echt wilde publiceren omdat het zo persoonlijk was, maakte mijn hart een sprongetje. Het was gelukt, mijn pijn was voelbaar voor een volstrekt onbekende lezer! Erkenning. Ik besloot schrijfwedstrijden te gaan zoeken en durfde verhalen in te sturen. Vlak achter elkaar won ik een wedstrijd met een heel persoonlijk verhaal. Dat zorgde ervoor dat ik ook dat stuk steeds beter kon afsluiten en ik langzaam steeds fictiever kon gaan schrijven. Een verademing. Mijn laatste winnende verhaal is volkomen fictief en een beschrijving van een persoon die ik niet ken. Dat ik met dat verhaal won, betekende weer een mijlpaal. Nu rest me alleen nog dat boek….dat helse boek wat er echt moet komen, want dat ik wat te vertellen heb, dat geloof ik inmiddels wel.

donderdag 4 april 2013

Boekpresentatie

Het blijven rare tijden. Dat je aan de ene kant jouw verhaal het liefst met iedereen in de hele wereld zou willen delen maar dat je aan de andere kant uit verlegenheid en gene eigenlijk het liefst in een hoekje van de kamer zou willen wegkruipen voor al het commentaar. Het commentaar is veelal positief, mensen zijn nou eenmaal niet zo happig om je te bellen en je te vertellen dat je echt een vreselijk verhaal hebt geschreven. Gelukkig blijven er uitzonderingen, anders zou ik nog naast mijn schoenen gaan lopen inmiddels.

Maar goed, ik wijk af van mijn initiële verhaal. Mijn boekpresentatie. Nou ja, niet helemaal van mij natuurlijk, ik moest hem delen met nog negen anderen. Misschien is mocht een betere term. Ik was maar wat blij dat er nog negen anderen om me heen stonden want zenuwachtig was ik zeker. Bovendien was het met alleen mijn aanwezigheid niet zo'n succes geweest. De combinatie van de locatie van de presentatie (andere kant van het land ivm vestigingsplaats uitgever), de inhoud van mijn verhaal en mijn eigen gene om mensen overactief uit te nodigen voor het feest resulteerde in een dramatische opkomst van mijn fans. Gelukkig ben ik getrouwd en kon mijn man me moeilijk alleen laten gaan, anders had ik daar mooi alleen gestaan. Want terwijl ik daar in een rijtje vol mede auteurs stond te luisteren naar de vriendelijke woorden van onze uitgever, keek ik de zaal rond. Mijn ogen schoten over de hoofden van de aanwezigen. In een golvende beweging schoten mijn ogen heen en weer. Nog een rondje, nog eens turen naar het tafeltje achterin.

Niemand.

Ik had het niet verwacht maar ik voelde toch een golf van teleurstelling in me opwellen bij het zien van niemand voor mij. Even voelde ik me meer alleen dan ik me in tijden heb gevoeld. Ik keek naast me naar de trotse gezichten van de andere auteurs, stuk voor stuk glimmend van trots knipogend en zwaaiend naar familie, vrienden en bekenden. Weer een golf van teleurstelling. Ik keek nogmaals in de zaal en zag hem daar. Hij was nauwelijks te zien, verborgen achter een omhoog gehouden mobieltje, maar hij stond er wel. Flits na flits volgde vanaf zijn toestel in zijn hand. Toen het officiële gedeelte was afgelopen, was hij als eerste bij me. Tranen van trots in zijn ogen. Gelukkig. Alleen zou ik hier nooit zijn, want ook al had hij geen keuze, hij had ook niet anders gewild, die man van mij.

donderdag 14 februari 2013

Vers verloren schrijfwedstrijd

Vandaag geen blog maar mijn inzending voor een schrijfwedstrijd, vers verloren. De eerste zin stond vast, de rest komt uit mijn hoofd :)


Schrijven kwelt mij, het knijpt mij de keel af tot ik kokhalzend de volgende woorden tik, maar het is het enige wat ik kan, zeker nu. Ik weet dat er niemand anders is aan wie ik het kan vertellen dan aan jou. Het maakt me ook woest dat jij de enige bent. Het maakt me nog woester dat ik dit naar je moet schrijven, ik wil dit gewoon met je kunnen delen bij een kop thee, of beter nog, een fles wijn! Wij samen, afwisselend gierend van het lachen of huilend tot we niet meer konden. Je zou mijn hand vasthouden als ik je dit zou vertellen, jouw tranen zouden net zo hard over je wangen stromen als bij mij. Nog voor ik mijn glas leeg zou hebben, zou jij hem al bijgevuld hebben en samen zouden we er helemaal niets meer van snappen. Jij zou me begrijpen, als geen ander weten hoe moeilijk dit voor me is. Misschien zou jij zelfs wel weten wat ik zou moeten doen. Misschien komt jouw advies wel na deze brief, ik hoop het want op dit moment weet ik echt even niet hoe ik verder moet.

Vandaag ben ik bij een begrafenis geweest. Wat een verdriet. Nooit eerder zat ik in een ruimte met zoveel mensen met zo ongelofelijk veel verdriet. Afgeladen vol zat hij, die kerk. Vooraan zaten twee bloedjes van kinderen. Het klassieke koningskoppel; pienter jochie met zijn kleine, prachtige zusje. Hij had een kostuum aan. Zo'n kostuum waar je even bij stopt als je er langs loopt in de winkel, of je nou kinderen hebt of niet, gewoon omdat het er zo schattig uitziet. Maar dan bedenk je natuurlijk niet dat dat misschien wel het pak is van een jongetje wat zijn moeder moet begraven. Zijn zusje had een donker grijs jurkje aan, duidelijk met evenveel zorg uitgezocht. Logisch natuurlijk want de vriendin die de kleertjes uitzocht wist als geen ander waar hun moeder van hield. Perfect gestyled moesten ze daar zitten, tot en met de haast onvindbare grijze haarspeldjes van het meisje. Ze zaten onzeker op hun stoeltjes, ze hebben de hele dienst elkaars hand niet losgelaten. Aan hun vader hadden ze niet veel, hij is de weg compleet kwijt. Logisch, je vrouw begraven is iets wat niemand ooit wil doen, maar zo jong en op deze manier, nee dat gun je niemand.

De kindjes hadden samen met hun vader de kist voor hun moeder uitgezocht. Een grenen, onbehandelde kist. Toen hun moeder daar in de woonkamer in lag, hebben ze samen met de vriendin die ook hun kleren had uitgezocht met verf, stiften en glitters de kist helemaal versierd. Het zoontje heeft er gedichtjes op geschreven en het dochtertje heeft de bloemen die de vriendin had getekend ingekleurd. Tijdens de dienst stond die mooi versierde kist midden in een zee van bloemen. Heel veel witte rozen en een paar knal boeketten vol kleur. De meeste mensen wisten dat de moeder van witte rozen hield en hadden hun boeket daarop afgestemd. De vriendin vermoedde dit al en had voor een paar knallende tegenhangers gezorgd. Al dat serene wit moest met vrolijkheid doorbroken worden. De moeder stond namelijk vooral bekend als een immer vrolijke, hartelijke en gastvrije vrouw. Alleen witte bloemen zou het geheel veel te braaf hebben gemaakt. Het moest, ondanks alles, een weerspiegeling zijn van de vreugde die de vrouw in haar leven had gebracht.

De dienst was in één woord afgrijselijk. Het was een aaneenschakeling van prachtige speeches en verhalen over de vrouw. Stuk voor stuk vertelden de mensen over dit prachtmens wat veel te vroeg van hen was afgenomen. De vriendin vertelde een verhaal over een vriendschap die zo puur was, zo ver ging en zo diep in haar wezen zat, dat ze niet wist hoe ze verder moest zonder haar vriendin. Ze vertelde anekdotes die vaak hilarisch waren, afgewisseld met een vraag, een snik en verwondering dat haar beste vriendin er ineens niet meer was. Er was niemand in de hele kerk die het droog hield tijdens dit verhaal. Het toppunt was de toespraak van de zoon. Met zijn zes jaar stond hij daar. In zijn pak met zijn nieuwe zwarte schoenen, haren netjes gekamd. Zijn hand stevig geklemd om de hand van zijn kleine zusje. Langzaam en met duidelijke woorden las hij zijn verfrommelde briefje voor:
“Lieve mama, ik wou dat je niet dood was. Ik wou dat je ons vanavond voor kon lezen of dat je me morgen wakker kwam maken. We missen je heel erg, mama.”
De vriendin stond tijdens de toespraak achter het jongetje, haar hand op zijn schouder. Toen zijn kleine schouder niet meer kon ophouden met schokken sloeg ze haar arm om de kindjes en nam ze mee naar hun stoelen. Ze gaf ze heel veel kussen, echt waar, maar je zag gewoon dat het niets hielp.

Na de dienst kwam het volgende vreselijke moment, toen liep iedereen achter elkaar die kerk uit, achter de kist. Nog een laatste groet en toen lieten ze die kist zakken. De vader viel op zijn knieën en barstte in tranen uit. Het was zo zielig. Vooral omdat het zoontje zijn vader als een man probeerde te troosten. Afschuwelijk om te zien was dat. En toen stond die kist op de bodem van het gat en was alles voorbij. Ik heb nog een hele tijd naar de kist staan kijken, onderin dat gat. Vol glitters en mooie tekeningen stond hij daar in de koude, natte aarde. Eigenlijk wilde ik in het gat springen, op de kist gaan liggen en gewoon daar blijven. Het voelde zo slecht om haar daar zo alleen achter te laten. Maar, ik moest verder natuurlijk. Er was een borrel georganiseerd bij wijze van condoleance en daar werd ik wel verwacht.

Bij de condoleance was het nog drukker, de kindjes zaten aan een tafeltje met de vriendin. Ze dronken appelsap en aten toastjes. De vriendin had voor allebei de kindjes een grijs tasje met daarin een boekje om te kleuren. Er waren veel hapjes want dat had de vrouw gewild, het moest gastvrij voelen, bijna een feestje. Gelukkig durfde niemand de kindjes te condoleren, de huilende man was meer dan genoeg voor de meeste bezoekers. Wat hadden ze ook tegen die kinderen moeten zeggen?
'Sorry dat je moeder dood is?'
'Erg voor je dat je moeder zich heeft opgehangen?'
'Sneu voor je dat je moeder jouw afstuderen/kinderen/leven nu niet meer zal zien?'
Nee, er viel niets tegen die kinderen te zeggen. Iedereen voelde dat en degenen die dit niet toch begrepen, werden door de vriendin woest weg gekeken voordat ze de tafel bereikten.

Nu zit ik dus hier. Alleen. Ik heb maar een fles wijn open gemaakt omdat ik denk dat je me dat wel zou aanraden. Maar ik weet het niet meer. Ik heb de kleertjes voor je kinderen uitgezocht, ik heb met ze door de winkels gelopen en bedacht wat hun allerliefste mama zou willen dat ze aan zouden doen naar haar begrafenis. Ik heb iedereen verteld over onze vriendschap, over wat jou de meest bijzondere persoon op aarde maakte. Ik heb ze uitgelegd dat wij een band hadden die ook zonder woorden werkte, hoe wij elkaar aan konden kijken en elkaar begrepen, hoe wij onvoorwaardelijk van elkaar hielden. Ik heb jouw prachtkinderen geprobeerd te troosten, zonder succes natuurlijk want ik ben niet hun moeder en dat zal ik ook nooit worden, hoe graag ik dat ook voor ze zou zijn. Maar wat moet ik nu? Je vertelde me in jouw brief wel waarom je het hebt gedaan, hoe je niet meer verder kon, hoe de pijn van alles wat je hebt meegemaakt niet te overtreffen viel door alle prachtige dingen. Je vertelde me ook hoe erg je het vond om iedereen achter te laten. Maar je hebt niets gezegd over hoe wij nu verder moeten zonder jou. Heb je daar eigenlijk aan gedacht? Heb je overwogen dat je misschien moest blijven leven om ons leven wat aangenamer te maken? Om ons er doorheen te helpen? Waarschijnlijk wel. Ik snap ook wel dat dit niet voldoende was om te blijven. Maar hier zit ik nu dus, te typen tegen een geest, een schim van onze vriendschap en ik vraag me alleen maar af hoe ik morgen op moet staan.

dinsdag 25 december 2012

2013

Ik heb dus iets met cijfers. Niet in de rainman zin van het woord en ik zal de laatste zijn die beweert dat ik enige wiskundige aanleg bezit, maar ik heb wel een zekere cijfer-obsessie. Dat was best een ding toen ik zwanger was want door de hoeveelheid zwangerschapshormonen die door mijn lijf gierden werd deze obsessie alleen maar versterkt. Dat bracht extra zorgen met zich mee. Want wat te doen als mijn kind op een door mij zelf uitgeroepen 'slechte' datum geboren zou worden? Mijn man begreep er -uiteraard- niets van. Inmiddels heb ik me er bij neergelegd dat mijn dochter niet op een optimale datum geboren is, het had tenslotte slechter kunnen zijn. De 29e bijvoorbeeld, brrrr, ik moet er niet aan denken.

Nu het einde van het jaar 2012 in zicht komt, slaat mijn obsessie weer toe. In mijn hoofd kan 2013 namelijk nooit een succes worden. Dit is immers een zeldzaam slecht getal. Dan ga ik me dus zorgen maken. Wat zal er dit jaar nou weer gebeuren? De afgelopen jaren waren weinig succesvol, waarbij ik moet toegeven dat afgelopen jaar nog het meest succesvolle is geweest. Ondanks menig dieptepunt zijn er afgelopen jaar ook mooie stappen vooruit gemaakt. Het was in elk geval een stuk beter dan bv 2010 (wat volgens de cijfers best een succesvol jaar had moeten worden), er zijn geen vaders dood gegaan en er zijn geen ontslagen gevallen. Toegegeven, papa was al dood en ik was al werkloos, maar toch...het blijft feit dat het niet nóg een keer is gebeurd! Wat dat betreft is ook 2011 afgelopen jaar overtroffen aangezien er geen ernstige depressie is geweest, er geen dramatische operaties hebben plaatsgevonden en -daar komt hij nog een keer- ik niet ontslagen ben. Hoera! Maar 2012 zou volgens mijn eigen numerologie een briljant jaar moeten zijn geweest, zo zou ik het nou ook weer niet omschrijven geloof ik. Ik zou natuurlijk ook kunnen concluderen dat mijn cijferkunde wellicht iets minder waarheidsgetrouw is dan ik zelf heb bedacht maar dat is natuurlijk wel heel gemakkelijk! Nee, we kunnen ons beter wapenen tegen het onheil dat 2013 ongetwijfeld met zich mee zal brengen.

Toch blijf ik hopen op en dromen van een mooi jaar. Ik heb me ernstig voorgenomen om dit jaar mijn boek af te schrijven. Nu ik het concept van het boek helemaal heb uitgedacht en de grote lijnen op papier staan, zou dat moeten lukken. In elk geval ziet het er naar uit dat er ook in 2013 een boek uitgegeven zal gaan worden met een verhaal van mijn hand. Aangezien de deadline van de kinderverhalen-wedstrijd in 2012 valt, mag ik ook best hopen dat die wedstrijd zijn vruchten af zal werpen. En ja, een kinderboek van mijn hand, uitgegeven in 2013 zal er zeker voor zorgen dat ik mijn cijfer obsessie achter me zal laten. Denk ik.
Op naar een prachtig 2013! En ach, je moet maar zo denken: over 365 dagen staat 2014 al weer voor de deur en dat jaar, jongens, let op mijn woorden, dat jaar gaat het worden hoor!

maandag 19 november 2012

Columniste

Ik werk er hard aan, aan mijn schrijverscarrière. Ik leg mijn ziel bloot in mijn verhalen of graaf diep in mijn fantasie om een verhaal tevoorschijn te toveren. Ook schuw ik een gezonde dosis zelfspot niet en vergroot ik graag mijn onzekerheden ter vermaak van de lezer. Dat laatste heb ik in column-vorm gegoten en ingestuurd naar de Metro. Als mijn column genoeg stemmen krijgt, wordt hij echt geplaatst in de krant! Hoe meer stemmen, hoe beter dus! Ga dus gelijk naar de column, lees en stem! Misschien sta ik dan binnenkort in de krant!

woensdag 31 oktober 2012

Schrijverschap

Daar zit ik dan, kotsmisselijk, verhit en toch koud. Van de zenuwen, echte onvervalste zenuwen. Niet dat ik precies kan uitleggen waar ik zenuwachtig voor ben maar ik voel het wel. In elke cel van mijn lichaam zelfs! Ik ben op weg naar mijn uitgever. Ik kan het nog steeds niet echt bevatten maar ik heb gewoon echt een uitgever. Straks bestaat er een boek waar mijn naam ook op staat en is er een verhaal waar mensen van zullen gruwelen als ze het lezen. Dat is althans mijn huidige idee over mijn verhaal. Ik voel me vandaag een ware, onbegrepen, hysterische, enigszins geflipte kunstenares. Ik loop straks op mijn doem af, mijn toekomst en ik ben daar dus doodsbang voor.

De dualiteit van het schrijverschap is iets waar ik nog geen grip op heb gekregen in de afgelopen maanden. Ik vrees dat het erbij hoort. Voor mij in elk geval wel. Ik las laatst ook dat er een onderzoek is wat heeft aangetoond dat schrijvers 50% vaker zelfmoord plegen. Hmmm. Toch begrijp ik het allemaal wel, je probeert met woorden iets los te maken bij een lezer, om dit voor elkaar te krijgen moet je veel van je hart bloot geven, diep uit je eigen ziel putten. Maar dat blootgeven zorgt automatisch voor een enorme kwetsbaarheid van je hart. Kritiek of commentaar, of dit nu echt geuit wordt of alleen in je eigen hoofd te horen is, komt extra hard binnen.

Misschien genoeg reden om het dan maar niet op te zoeken? Ja, misschien wel. Maar bizar genoeg kan ik toch ook weer niet zonder. Mijn zoektocht naar de ultieme bevestiging van mijn aanwezigheid op deze wereld is groter dan de afkeer tegen de nare bijwerkingen. De behoefte om iets na te laten en mijn grootste wens; iemands leven raken, zijn immens groot en vallen niet te onderdrukken. Dus ik pak de kotszakjes er nog even bij en tik nog maar eens een verhaal...

donderdag 18 oktober 2012

Mijn droom, mijn nachtmerrie

Het Is zo ver. Mijn droom is uitgekomen. Althans, een gedeelte van mijn droom. Ik zal gepubliceerd worden! Ik heb een verhaal geschreven voor een schrijfwedstrijd en dat is goed genoeg bevonden om gepubliceerd te worden!

Mijn hart sloeg over toen ik het las, vol ongeloof las ik het mailtje wel vier keer voor ik echt een brok in mijn keel voelde. Het voelde zo surrealistisch en volstrekt onwerkelijk dat ik het echt niet kon geloven. De rest van de dag bleef het in mijn hoofd onrustig en hoorde ik steeds maar een bandje spelen dat me zei dat het vast niet echt was, dat het vast niet door zou gaan, het echt niet zo speciaal was en ga zo maar door. Ik kon er maar niet bij dat mijn verhaal straks echt in een boek zou staan.
Toen mijn man eindelijk thuis was en ik het hele verhaal nog tien keer (sorry man) kon herhalen begon het nieuws wat te bezinken en sloeg de angst toe. Ineens realiseerde ik me dat het verhaal gepubliceerd zou worden! HET verhaal, het verhaal wat uit het diepste en meest duistere stukje uit mijn hart komt. Het stukje wat de meeste mensen afsluiten en waar ze de sleutel bewust van kwijtraken zodat het deurtje maar nooit geopend kan worden. De deur die bij psychopaten extreem groot is en bovendien wagenwijd open staat. Straks kan de hele wereld zien wat er bij mij achter die deur schuilt. Nu weet ik wel dat niet de hele wereld mijn verhaal gaat lezen, goddank wonen we in een klein, onbeduidend landje en zal het zo’n vaart niet lopen, maar toch… Straks leest de buurvrouw het, daar gaan de playdates van mijn dochter…. Of leest de bakker op de hoek mijn verhaal waardoor hij me elke keer als ik een brood kom halen vreemd aan zal kijken.
Ik schreef al eens eerder over de dualiteit van het schrijven en dat komt nu dus weer duidelijk naar voren. Aan de ene kant kan ik niet trotser zijn dan ik nu ben omdat ik gepubliceerd zal worden en aan de andere kant ben ik doodsbang voor de reacties van anderen zodra ze mijn stuk lezen. Bijkomend probleem is dat het verhaal een thriller achtig verhaal is en dat het zich nogal dicht bij huis afspeelt. De kans dat mensen zich erin zullen gaan herkennen is behoorlijk aanwezig. Hoe die mensen gaan reageren als ze zich herkennen….daar krijg ik dus nachtmerries van! Gelukkig heb ik nog even en mag ik eerst ervaren hoe het is om met een redacteur te werken. Misschien weet die nog wel een goede manier om het verhaal wat te verhullen waardoor de herkenbaarheid wat verdwijnt.