Posts tonen met het label schrijfwedstrijd. Alle posts tonen
Posts tonen met het label schrijfwedstrijd. Alle posts tonen

dinsdag 21 januari 2014

De sleutel

De zoemer gaat opnieuw. Er wordt langer aangebeld deze keer. Buiten klinkt rumoer, er zijn duidelijk veel mensen op de been. Het zachte geknetter lijkt haast rustgevend naast het lawaai van de straat. Pieters hand gaat langzaam naar voren, richting de sloten op zijn deur. Hij ziet hoe zijn hand trilt. Hij beleeft het alsof het de hand van een vreemde is. Hij twijfelt met zijn hand op het warme slot aan zijn deur. De zoemer klinkt weer, hij schrikt er van en doet instinctief een stap achteruit. Hij kan het niet.
         Langzaam loopt hij richting zijn raam. De gordijnen zijn zoals altijd gesloten. Hij loopt naar zijn zorgvuldig gemaakte kijkgaatje in de gordijnen. Beneden ziet hij zijn buurvrouw. Ze loopt onrustig heen en weer tussen de mensen. Het verbaast hem niets, zijn bovenbuurvrouw is altijd onrustig. Hij irriteert zich al jaren aan haar gemaakt blije gedrag als er weer eens visite bij haar komt. Uitgelaten vrolijk doet ze de deur dan open en bijna schreeuwend doet ze direct haar verhaal. Dat ze tussen de bezoeken door huilend in haar eenzame appartement zit weet niemand, vermoedt Pieter. Nu loopt ze van brandweerman naar brandweerman, ze praat druk en gebaart alsof haar leven er van af hangt.
         Er staat ook een ambulance. Op de brancard zit zijn onderbuurvrouw. Een lieve dame, oud en versleten maar altijd vriendelijk. Ze is erg op zichzelf en krijgt niet vaak bezoek. Hij vindt haar sympathiek en is blij om te zien dat een verpleger zich om haar bekommerd. Zijn buurman van de bovenste etage ziet hij niet. Die zal wel weer op stap zijn.
         Pieter draait zich om en sjokt naar zijn stoel vlakbij het raam. Met een plof laat hij zich in zijn stoel vallen. Zijn keel kriebelt en hij probeert de kriebel weg te kuchen. Hij kijkt rond in zijn schemerige appartement. Het is een vreemd moment. Hij weet dat hij weg moet, dat het voor zijn eigen bestwil is maar hij kan zich er maar niet toe zetten. Zijn handen glijden over de grove ribstof van zijn stoel. De stof is verschoten maar hij zit nog steeds prima. De muren van zijn appartement zijn leeg, hij heeft nooit de moeite genomen iets op te hangen. Hij zou bovendien niet weten wat hij op had moeten hangen. Hij heeft niets waar hij specifiek van houdt. In zijn open keuken ziet hij de vaat op het aanrecht. Hij wast pas af als al zijn servies uit de kastjes op is. Meestal maar eens per week. Zijn ogen glijden verder naar de slaapkamerdeur. Er komt een vreemde oranje gloed uit zijn kamer, het zal het licht van de brand zijn. Een nare gedachte en Pieter wil snel zijn zinnen verzetten en klikt de televisie aan. Er gebeurt niets en hij realiseert zich dat de stroom een half uurtje geleden uitviel. Hij zucht. Hij vraagt zich af hoe het zover heeft kunnen komen. Gevangen in je eigen huis.
         Eigenlijk weet hij wel wanneer het begonnen is. Al op de basisschool begon het pesten. Eerst redelijk onschuldig met kinderen die zand naar hem gooiden tijdens de pauzes, later venijniger toen ze hem begonnen te slaan. Verweren kon hij zich niet, tot grote woede van zijn vader. Wat was die man kwaad geweest als Pieter weer eens met een blauw oog thuis kwam. Hij probeerde zijn zoon te trainen door met hem te vechten, met als gevolg dat Pieter alleen maar meer klappen kreeg. Uiteindelijk gaf zijn vader het op en vertrok. Pieter zal die dag nooit meer vergeten. Het was zijn tiende verjaardag en hij kwam vrolijk thuis uit school. De kinderen in de klas waren zowaar aardig voor hem geweest die dag en dat gaf hem hoop. Zijn moeder deed de deur open met dikke, rode ogen. Ze vertelde hem met trillende stem dat zijn vader weg was gegaan en niet meer thuis zou komen. Hij had zijn kleine armen om haar nek geslagen en haar getroost. Hij had zijn vader nooit meer gezien en dat vond hij prima. Ze waren altijd samen geweest en steunden elkaar in stilte.
         Zijn middelbare schooltijd verliep niet heel veel anders dan op de basisschool. Gepest werd hij nog steeds maar hij was allang blij dat hij niet meer geslagen werd. Tegen woorden had hij zich altijd wel kunnen verweren. Natuurlijk deed het hem pijn toen de hele klas een uitnodiging voor een feest kreeg en hij als enige werd overgeslagen. Hij had ook echt in zijn bed gehuild toen hij zijn zestiende verjaardag wilde vieren en de hele klas had uitgenodigd en er niemand op het feest kwam. Het had zijn hart gebroken toen hij zijn moeder de avond van het geplande feest zag in het kleine flatje, bij de tafel vol zoutjes en flessen frisdrank. Hij wist dat ze er tijden voor had gespaard en alles was voor niets geweest.
            Het kleine flatje waar hij met zijn moeder was gaan wonen na zijn tiende verjaardag, was veilig voor hem. Zijn moeder begreep hem en zorgde goed voor hem. Pieter glimlacht bij de gedachte aan zijn moeder, de liefste moeder van de wereld, dat heeft hij altijd gezegd. De laatste jaren heeft hij haar niet meer gezien, hij kon nou eenmaal niet meer weg. Toen hij pas in het appartement woonde, kwam ze geregeld langs maar tegenwoordig lukt het haar niet meer, te ziek. Ze ligt dag in, dag uit in haar bed in het verzorgingstehuis. Ze bellen wel vaak en ondanks het feit dat ze het nooit hebben uitgesproken, weet Pieter zeker dat ze begrijpt waarom hij niet meer langs kan komen en hoe erg hij dat vindt.
         Terwijl Pieter in de oranje gloed van zijn slaapkamer kijkt denkt hij terug aan de tijd dat hij hier kwam wonen. Hij was net afgestudeerd en kon bij het IT bedrijf blijven werken waar hij tijdens zijn studie een bijbaan had gehad. Vanuit huis programmeerde hij voor hen. Het kantoor had hij een keer bezocht toen hij er pas werkte, inmiddels vragen zijn collega’s hem niet meer om langs te komen, iedereen weet dat hij alleen vanuit huis werkt. Toen hij hier net woonde ging hij nog wel naar buiten. De supermarkt zit schuin tegenover de appartementen en hij haalde daar eens per week alle boodschappen. In de loop van de tijd had het internet een vlucht genomen en langzaam merkte Pieter dat hij alles via internet kon bestellen. De pakjes werden voor zijn voordeur gezet en zodra de bezorger weg was, deed hij snel zijn deur open om de spullen te pakken.
         Het is allemaal zo geleidelijk gegaan. Steeds kreeg hij de kans om een stapje terug te doen. Steeds iets minder contact met de mensen om hem heen. Steeds een stapje verder uit de maatschappij. Met elke kleine stap die hij in dit proces zette, werden mensen ook een beetje enger. De wereld leek langzaam steeds een beetje gevaarlijker en bedreigender.
            Ergens had hij verwacht tijdens zijn studietijd vrienden te kunnen maken, maar niets was minder waar. Zijn studiegenoten waren vooral geïnteresseerd in het campusleven, de alcohol die daarbij hoorde en meisjes. Hun studies kwamen op de laatste plaats, Pieter vond het vreselijk. De corveediensten in de campusflat werden steevast overgeslagen en als Pieter zijn huisgenoten daar op aansprak, werd hij uitgelachen. Hij rondde zijn studie daarom maar zo snel mogelijk af en vertrok zonder een vriend gevonden te hebben.
         Hij hoest. De kriebel in zijn keel wordt langzaam hardnekkiger. Hij krijgt het warm en trekt zijn trui uit. Hij voelt zich terneergeslagen. Precies de reden waarom hij probeert nooit na te denken over vroeger. Toch vraagt hij zich nu af of hij het anders had kunnen doen. Of hij het anders had moeten doen. Was er misschien een andere weg voor hem mogelijk geweest als hij beter had gekeken? Hij heeft wel eens een documentaire op televisie gezien waarin men sprak over deuren in je leven. Dat als je er open voor staat, er altijd nieuwe deuren met nieuwe mogelijkheden in je leven ontstaan. Deuren die bijna altijd open blijken te zijn als je maar het lef hebt om aan de klink te voelen. Hij had er destijds niet zo bij stil gestaan maar vraagt zich nu ineens af of zijn weg echt de enige weg is geweest. Zijn hele leven heeft hij niet getwijfeld aan zijn beeld van de wereld. Keer op keer werd zijn beeld ook bevestigd. Mensen lieten hem steevast vallen, keken hem met de nek aan of praatten achter zijn rug over hem. Nu twijfelt hij hier ineens aan, denkt hij na over de rol die hij hier wellicht zelf in heeft gespeeld. Had hij kansen gemist?
         Zijn gedachten worden onderbroken door gestommel op de trap. Er bonkt weer iemand op zijn deur, hard en lang. Hij wordt geroepen. Het vult hem met angst, hij is doodsbang dat ze de deur open zullen breken, zijn appartement binnen zullen vallen en hem uit zijn veilige omgeving zullen halen. Pieter pakt zijn telefoon, kijkt er even met twijfel naar en belt dan zijn moeder, hij voelt ineens intens de behoefte om even haar stem te horen, te horen dat alles goed komt.

         “Hallo lieverd, wat fijn dat je belt. Hoe gaat het met je?” Haar stem klinkt liefdevol en warm zoals altijd en het vult hem met een prettig gevoel. Als hij haar wil antwoorden moet hij hoesten. “Wat klink je verkouden Pietertje, je bent nooit verkouden, gaat het wel goed met je?” Haar stem klinkt nog bezorgder dan anders en dat raakt hem.
         “Nee mam, ik ben niet echt ziek, er eh… ik heb net iets laten aanbranden in de keuken, ik hoestte van de rook.” Hij liegt nooit tegen zijn moeder, hij laat wel eens wat weg in zijn verhaal of hij laat haar soms iets denken wat niet helemaal waar is, maar zo glashard een leugen vertellen, nee. Het geeft hem een onprettig gevoel en hij vraagt zich af of ze zal horen dat hij liegt. “Ik wilde gewoon even je stem horen, mam. Zomaar.” Zijn moeder valt even stil. Ze moet duidelijk even nadenken over deze mededeling. Hoewel de twee zielsveel van elkaar houden spreken ze dergelijke dingen nooit naar elkaar uit.
         “Gaat het wel goed met je, schat?” Haar stem trilt als ze het hem vraagt. Het doet hem pijn om haar zo bezorgd te horen. “Zal ik even naar je toekomen?” Hij realiseert zich ineens hoe erg het is. Zijn doodzieke moeder wil naar hem toekomen omdat ze bezorgd over hem is, terwijl hij haar al jaren alleen laat omdat hij niet naar buiten wil. Hij voelt een traan over zijn wang lopen. Hij kan zich niet herinneren wanneer hij voor het laatst heeft gehuild.
        “Je hoeft niet te komen mam. Zou je het fijn vinden als ik naar jou toekom?” Zijn stem trilt ook een beetje, alleen al het uitspreken van de actie bezorgt hem rillingen. Toch weet hij dat hij het moet doen. Hij hoort zijn moeder zacht huilen.
         “Wat is er jongen, wat is er toch?” De tranen van zijn moeder breken hem.
         “Het gaat niet goed mam. Er is brand hier. In het appartement boven. De brandweer is er maar volgens mij krijgen ze het vuur niet onder controle.” Hij hoort zijn moeder schrikken en even is hij bang dat het haar dood zal worden, dat de schrik haar te veel zal zijn.
         “Ik hoor helemaal geen brandweer, waar ben je dan? Sta je om de hoek?” Pieter valt stil. “Waar ben je Pieter?” Ze vraagt het hard, alsof ze het antwoord al weet. Hij ziet haar voor zich, haar ogen fel net als haar stem. Hij twijfelt maar besluit te kijken of er een andere weg is voor hem.
         “Ik ben nog binnen.” Hij zegt het zacht, bijna onhoorbaar maar zijn moeder heeft ieder woord van die zin gehoord en wordt woest.
         “Dan ga jij nu als de donder dat huis uit Pieter!” Ze schreeuwt de woorden haast door de telefoon. Ze heeft nog nooit tegen hem geschreeuwd en Pieter schrikt er zo van dat hij direct uit zijn stoel opstaat. Bij de deur overvalt de twijfel hem weer.
         “Ik weet niet of ik het kan.” Zegt hij met een klein stemmetje. Even is het weer alsof daar dat kleine jongetje van de basisschool staat. Huilend bij zijn moeder omdat hij gepest is. Ook nu is ze er voor hem en dat helpt hem.
         “Je doet je arm omhoog en haalt het bovenste slot eraf.” Ze zegt het met zoveel stelligheid dat hij niet meer kan twijfelen. Hij volgt haar instructies gedwee. “Nu pak je het tweede slot en haalt dat er ook af.” Weer laat ze hem geen keuze en hij volgt haar instructies. “Goed, nu het laatste slot. Pak de sleutel en draai hem om. Dan kun je de klink omlaag doen en kun je weg.” Trillend gaat zijn hand naar de sleutel. De sleutel is heet en geschrokken trekt hij zijn hand terug. “Is de deur open?” Vraagt zijn moeder streng.
         “De sleutel is heet.” Zegt hij haar zachtjes.
         “Dat betekent dat het vuur dichtbij is, je moet opschieten Pieter.” Haar toon lijkt dwingender dan ooit. Hij pakt de sleutel nogmaals vast, nu met de punt van zijn T-shirt tegen de hitte. De sleutel draait en langzaam doet hij de klink omlaag. Een bel van hitte en rook lijkt in zijn gezicht kapot te spatten en hij schrikt. Hij moet hoesten, zo hard dat het hem zijn adem ontneemt. Hij valt voorover op zijn knieën. De telefoon valt uit zijn handen maar hij hoort zijn moeder roepen dat hij weg moet gaan, dat hij moet rennen. Hij zit op zijn handen en knieën, half in zijn appartement, half in de gang. Hij kijkt naar rechts en ziet de trap naar boven in brand staan. Links is het portiek met de open, stenen trap naar beneden, de frisse lucht. Hij kijkt weer naar rechts en beseft ineens dat hij ook naar rechts kan gaan. Hij heeft een keuze. Eindelijk ziet hij zijn opties voor zich; rechts of links. Het lijkt ineens zo duidelijk. Hij weet wat zijn moeder wil. Haar keuze is duidelijk en hij drukt op het rode knopje van zijn telefoon. Hij hoort nu niets meer dan het oorverdovende geknetter van het vuur. Hij kijkt weer naar rechts, de vlammen lijken hem te roepen, voorzichtig schuift hij zijn ene been iets naar voren. Zijn andere been volgt. Hij voelt hoe zijn benen over de drempel schuiven en hoe hij ineens buiten is. Vijf jaar lang is hij niet op deze plek geweest, meer dan voorover gebogen om een pakje te pakken is hij niet gekomen. Zijn voeten hebben nooit de vloer van de hal geraakt. Hij voelt een intense vrijheid zijn lichaam vullen. Het voelt als een overwinning. Hij haalt diep adem en een nieuwe hoestbui overvalt hem. Zijn hoofd wordt er licht van. De hitte van rechts is overweldigend, het geluid van links evenzo. Dan weet hij wat hij moet doen en neemt de stap.

donderdag 25 juli 2013

Tussenstand

Sinds twee jaar schrijf ik. Ik deel mijn lief en leed met iedereen die het maar lezen wil. Blogs, korte verhalen, langere verhalen en columns. Het kortere werk, meestal in opdracht van een schrijfwedstrijd, gaat me beduidend beter af dan het schrijven aan mijn eigen boek. Nu ik eindelijk tevreden ben over de opzet in mijn hoofd, heb ik onlangs ontdekt dat wat ik had geschreven, niet goed is en herschreven moet worden. Opnieuw beginnen dus en daar zie ik tegenop. Een mooi moment om eens te bezinnen en te kijken of het eigenlijk wel wat heeft opgeleverd, dat schrijven.

In de afgelopen twee jaar heb ik 60 blogs geschreven. Dat zijn zo’n twee a drie blogs per maand en daar ben ik best tevreden over. Ook lieten lezers 15 keer een reactie achter en daar ben ik echt trots op. Voor diverse schrijfwedstrijden schreef ik 16 korte verhalen, variërend van 500 tot 5000 woorden. Er werden natuurlijk ook heel wat halve verhalen geschreven die mijn eigen eindstreep al niet haalden, die tel ik niet mee. Drie van mijn verhalen hebben gewonnen en zijn (of worden) gepubliceerd. In echte, tastbare papieren boeken. Daar ben ik ook heel trots op. Tot slot waren er ook nog zeven columns, waarvan er drie daadwerkelijk gepubliceerd zijn. Een goede score vind ik zelf.

De columns zijn verreweg de kortste varianten en toch begon het daar allemaal mee. Toe ik een van mijn eerste columns schreef over Sophie was dat voor mij een keerpunt. Het diepst van mijn ziel gaf ik bloot en voor het eerst durfde ik uit te spreken wat ik tot dat moment diep had weg gestopt. Alles in mij zei me toen al dat als ik kon schrijven, dit het bewijs zou zijn. Het stukje kwam moeiteloos op papier en verwoordde precies hoe ik me voelde. Ik wist ook dat als ze dit niet zouden plaatsen, ik mijn gevoel niet kon laten zien zoals ik dat wilde. Het was een spannende tijd. Toen ik ineens een mail in mijn inbox vond of ik dit wel echt wilde publiceren omdat het zo persoonlijk was, maakte mijn hart een sprongetje. Het was gelukt, mijn pijn was voelbaar voor een volstrekt onbekende lezer! Erkenning. Ik besloot schrijfwedstrijden te gaan zoeken en durfde verhalen in te sturen. Vlak achter elkaar won ik een wedstrijd met een heel persoonlijk verhaal. Dat zorgde ervoor dat ik ook dat stuk steeds beter kon afsluiten en ik langzaam steeds fictiever kon gaan schrijven. Een verademing. Mijn laatste winnende verhaal is volkomen fictief en een beschrijving van een persoon die ik niet ken. Dat ik met dat verhaal won, betekende weer een mijlpaal. Nu rest me alleen nog dat boek….dat helse boek wat er echt moet komen, want dat ik wat te vertellen heb, dat geloof ik inmiddels wel.

donderdag 4 april 2013

Boekpresentatie

Het blijven rare tijden. Dat je aan de ene kant jouw verhaal het liefst met iedereen in de hele wereld zou willen delen maar dat je aan de andere kant uit verlegenheid en gene eigenlijk het liefst in een hoekje van de kamer zou willen wegkruipen voor al het commentaar. Het commentaar is veelal positief, mensen zijn nou eenmaal niet zo happig om je te bellen en je te vertellen dat je echt een vreselijk verhaal hebt geschreven. Gelukkig blijven er uitzonderingen, anders zou ik nog naast mijn schoenen gaan lopen inmiddels.

Maar goed, ik wijk af van mijn initiële verhaal. Mijn boekpresentatie. Nou ja, niet helemaal van mij natuurlijk, ik moest hem delen met nog negen anderen. Misschien is mocht een betere term. Ik was maar wat blij dat er nog negen anderen om me heen stonden want zenuwachtig was ik zeker. Bovendien was het met alleen mijn aanwezigheid niet zo'n succes geweest. De combinatie van de locatie van de presentatie (andere kant van het land ivm vestigingsplaats uitgever), de inhoud van mijn verhaal en mijn eigen gene om mensen overactief uit te nodigen voor het feest resulteerde in een dramatische opkomst van mijn fans. Gelukkig ben ik getrouwd en kon mijn man me moeilijk alleen laten gaan, anders had ik daar mooi alleen gestaan. Want terwijl ik daar in een rijtje vol mede auteurs stond te luisteren naar de vriendelijke woorden van onze uitgever, keek ik de zaal rond. Mijn ogen schoten over de hoofden van de aanwezigen. In een golvende beweging schoten mijn ogen heen en weer. Nog een rondje, nog eens turen naar het tafeltje achterin.

Niemand.

Ik had het niet verwacht maar ik voelde toch een golf van teleurstelling in me opwellen bij het zien van niemand voor mij. Even voelde ik me meer alleen dan ik me in tijden heb gevoeld. Ik keek naast me naar de trotse gezichten van de andere auteurs, stuk voor stuk glimmend van trots knipogend en zwaaiend naar familie, vrienden en bekenden. Weer een golf van teleurstelling. Ik keek nogmaals in de zaal en zag hem daar. Hij was nauwelijks te zien, verborgen achter een omhoog gehouden mobieltje, maar hij stond er wel. Flits na flits volgde vanaf zijn toestel in zijn hand. Toen het officiële gedeelte was afgelopen, was hij als eerste bij me. Tranen van trots in zijn ogen. Gelukkig. Alleen zou ik hier nooit zijn, want ook al had hij geen keuze, hij had ook niet anders gewild, die man van mij.

donderdag 14 februari 2013

Vers verloren schrijfwedstrijd

Vandaag geen blog maar mijn inzending voor een schrijfwedstrijd, vers verloren. De eerste zin stond vast, de rest komt uit mijn hoofd :)


Schrijven kwelt mij, het knijpt mij de keel af tot ik kokhalzend de volgende woorden tik, maar het is het enige wat ik kan, zeker nu. Ik weet dat er niemand anders is aan wie ik het kan vertellen dan aan jou. Het maakt me ook woest dat jij de enige bent. Het maakt me nog woester dat ik dit naar je moet schrijven, ik wil dit gewoon met je kunnen delen bij een kop thee, of beter nog, een fles wijn! Wij samen, afwisselend gierend van het lachen of huilend tot we niet meer konden. Je zou mijn hand vasthouden als ik je dit zou vertellen, jouw tranen zouden net zo hard over je wangen stromen als bij mij. Nog voor ik mijn glas leeg zou hebben, zou jij hem al bijgevuld hebben en samen zouden we er helemaal niets meer van snappen. Jij zou me begrijpen, als geen ander weten hoe moeilijk dit voor me is. Misschien zou jij zelfs wel weten wat ik zou moeten doen. Misschien komt jouw advies wel na deze brief, ik hoop het want op dit moment weet ik echt even niet hoe ik verder moet.

Vandaag ben ik bij een begrafenis geweest. Wat een verdriet. Nooit eerder zat ik in een ruimte met zoveel mensen met zo ongelofelijk veel verdriet. Afgeladen vol zat hij, die kerk. Vooraan zaten twee bloedjes van kinderen. Het klassieke koningskoppel; pienter jochie met zijn kleine, prachtige zusje. Hij had een kostuum aan. Zo'n kostuum waar je even bij stopt als je er langs loopt in de winkel, of je nou kinderen hebt of niet, gewoon omdat het er zo schattig uitziet. Maar dan bedenk je natuurlijk niet dat dat misschien wel het pak is van een jongetje wat zijn moeder moet begraven. Zijn zusje had een donker grijs jurkje aan, duidelijk met evenveel zorg uitgezocht. Logisch natuurlijk want de vriendin die de kleertjes uitzocht wist als geen ander waar hun moeder van hield. Perfect gestyled moesten ze daar zitten, tot en met de haast onvindbare grijze haarspeldjes van het meisje. Ze zaten onzeker op hun stoeltjes, ze hebben de hele dienst elkaars hand niet losgelaten. Aan hun vader hadden ze niet veel, hij is de weg compleet kwijt. Logisch, je vrouw begraven is iets wat niemand ooit wil doen, maar zo jong en op deze manier, nee dat gun je niemand.

De kindjes hadden samen met hun vader de kist voor hun moeder uitgezocht. Een grenen, onbehandelde kist. Toen hun moeder daar in de woonkamer in lag, hebben ze samen met de vriendin die ook hun kleren had uitgezocht met verf, stiften en glitters de kist helemaal versierd. Het zoontje heeft er gedichtjes op geschreven en het dochtertje heeft de bloemen die de vriendin had getekend ingekleurd. Tijdens de dienst stond die mooi versierde kist midden in een zee van bloemen. Heel veel witte rozen en een paar knal boeketten vol kleur. De meeste mensen wisten dat de moeder van witte rozen hield en hadden hun boeket daarop afgestemd. De vriendin vermoedde dit al en had voor een paar knallende tegenhangers gezorgd. Al dat serene wit moest met vrolijkheid doorbroken worden. De moeder stond namelijk vooral bekend als een immer vrolijke, hartelijke en gastvrije vrouw. Alleen witte bloemen zou het geheel veel te braaf hebben gemaakt. Het moest, ondanks alles, een weerspiegeling zijn van de vreugde die de vrouw in haar leven had gebracht.

De dienst was in één woord afgrijselijk. Het was een aaneenschakeling van prachtige speeches en verhalen over de vrouw. Stuk voor stuk vertelden de mensen over dit prachtmens wat veel te vroeg van hen was afgenomen. De vriendin vertelde een verhaal over een vriendschap die zo puur was, zo ver ging en zo diep in haar wezen zat, dat ze niet wist hoe ze verder moest zonder haar vriendin. Ze vertelde anekdotes die vaak hilarisch waren, afgewisseld met een vraag, een snik en verwondering dat haar beste vriendin er ineens niet meer was. Er was niemand in de hele kerk die het droog hield tijdens dit verhaal. Het toppunt was de toespraak van de zoon. Met zijn zes jaar stond hij daar. In zijn pak met zijn nieuwe zwarte schoenen, haren netjes gekamd. Zijn hand stevig geklemd om de hand van zijn kleine zusje. Langzaam en met duidelijke woorden las hij zijn verfrommelde briefje voor:
“Lieve mama, ik wou dat je niet dood was. Ik wou dat je ons vanavond voor kon lezen of dat je me morgen wakker kwam maken. We missen je heel erg, mama.”
De vriendin stond tijdens de toespraak achter het jongetje, haar hand op zijn schouder. Toen zijn kleine schouder niet meer kon ophouden met schokken sloeg ze haar arm om de kindjes en nam ze mee naar hun stoelen. Ze gaf ze heel veel kussen, echt waar, maar je zag gewoon dat het niets hielp.

Na de dienst kwam het volgende vreselijke moment, toen liep iedereen achter elkaar die kerk uit, achter de kist. Nog een laatste groet en toen lieten ze die kist zakken. De vader viel op zijn knieën en barstte in tranen uit. Het was zo zielig. Vooral omdat het zoontje zijn vader als een man probeerde te troosten. Afschuwelijk om te zien was dat. En toen stond die kist op de bodem van het gat en was alles voorbij. Ik heb nog een hele tijd naar de kist staan kijken, onderin dat gat. Vol glitters en mooie tekeningen stond hij daar in de koude, natte aarde. Eigenlijk wilde ik in het gat springen, op de kist gaan liggen en gewoon daar blijven. Het voelde zo slecht om haar daar zo alleen achter te laten. Maar, ik moest verder natuurlijk. Er was een borrel georganiseerd bij wijze van condoleance en daar werd ik wel verwacht.

Bij de condoleance was het nog drukker, de kindjes zaten aan een tafeltje met de vriendin. Ze dronken appelsap en aten toastjes. De vriendin had voor allebei de kindjes een grijs tasje met daarin een boekje om te kleuren. Er waren veel hapjes want dat had de vrouw gewild, het moest gastvrij voelen, bijna een feestje. Gelukkig durfde niemand de kindjes te condoleren, de huilende man was meer dan genoeg voor de meeste bezoekers. Wat hadden ze ook tegen die kinderen moeten zeggen?
'Sorry dat je moeder dood is?'
'Erg voor je dat je moeder zich heeft opgehangen?'
'Sneu voor je dat je moeder jouw afstuderen/kinderen/leven nu niet meer zal zien?'
Nee, er viel niets tegen die kinderen te zeggen. Iedereen voelde dat en degenen die dit niet toch begrepen, werden door de vriendin woest weg gekeken voordat ze de tafel bereikten.

Nu zit ik dus hier. Alleen. Ik heb maar een fles wijn open gemaakt omdat ik denk dat je me dat wel zou aanraden. Maar ik weet het niet meer. Ik heb de kleertjes voor je kinderen uitgezocht, ik heb met ze door de winkels gelopen en bedacht wat hun allerliefste mama zou willen dat ze aan zouden doen naar haar begrafenis. Ik heb iedereen verteld over onze vriendschap, over wat jou de meest bijzondere persoon op aarde maakte. Ik heb ze uitgelegd dat wij een band hadden die ook zonder woorden werkte, hoe wij elkaar aan konden kijken en elkaar begrepen, hoe wij onvoorwaardelijk van elkaar hielden. Ik heb jouw prachtkinderen geprobeerd te troosten, zonder succes natuurlijk want ik ben niet hun moeder en dat zal ik ook nooit worden, hoe graag ik dat ook voor ze zou zijn. Maar wat moet ik nu? Je vertelde me in jouw brief wel waarom je het hebt gedaan, hoe je niet meer verder kon, hoe de pijn van alles wat je hebt meegemaakt niet te overtreffen viel door alle prachtige dingen. Je vertelde me ook hoe erg je het vond om iedereen achter te laten. Maar je hebt niets gezegd over hoe wij nu verder moeten zonder jou. Heb je daar eigenlijk aan gedacht? Heb je overwogen dat je misschien moest blijven leven om ons leven wat aangenamer te maken? Om ons er doorheen te helpen? Waarschijnlijk wel. Ik snap ook wel dat dit niet voldoende was om te blijven. Maar hier zit ik nu dus, te typen tegen een geest, een schim van onze vriendschap en ik vraag me alleen maar af hoe ik morgen op moet staan.